Door Maartje Stoop en Aafje Wardenaar studenten HB aan de UVA.

Op vrijdag 11 september 2020 organiseerde de werkgroep muurschilderingen van RN een bijeenkomst op de bijzondere locatie het Stoomschip de ‘SS Rotterdam’. Het schip kan met recht beschouwd worden als gesamtkunstwerk, aangezien elk specifiek interieuronderdeel speciaal voor het schip ontworpen is: van wandafwerking tot trappenhuizen en de toegepaste verlichting. Vanwege de bijzondere culturele waarde die het stoomschip, waarvan de bouw in 1959 werd voltooid, inneemt in de Nederlandse interieurgeschiedenis, is het door de Rijksdienst Cultureel Erfgoed dan ook benoemd tot één van de momenteel zeventig bijzondere interieurensembles die Nederland rijk is. In het kader van het behoud van dit geheel, is er in samenwerking met Klaas Krijnen van stichting Vrienden van Stoomschip Rotterdam en de RCE, een vooronderzoek naar de mogelijke behandeling van de wandschildering De Egeïsche Zee door Cuno van den Steene in de Grand Ballroom op het schip in gang gezet. Het onderzoek werd uitgevoerd door Willianne van der Sar (Color & Conservation) in samenwerking met restauratoren in opleiding Maartje Stoop en Aafje Wardenaar (beiden UvA, Historische Binnenruimte). Zij organiseerden deze bijeenkomst met als doel input te krijgen van restauratoren van verschillende disciplines over bepaalde vraagstukken die naar voren kwamen tijdens het onderzoek. Er waren schilderijenrestauratoren, houtrestauratoren en restauratoren historische binnenruimten aanwezig bij de bijeenkomst, die allen waardevolle opmerkingen en stof tot nadenken leverden.

De Egeïsche Zee door Cuno van den Steene in de Grand Ballroom op het schip de SS Rotterdam

De opzet van de bijeenkomst

De middag begon met een kop koffie, waarna er in twee kleine groepjes (in verband met de corona-maatregelen) presentaties werden gegeven door Aafje en Maartje. Hierin werden de bevindingen van het onderzoek tot nu toe uiteengezet.

Aafje geeft haar presentatie

De Egeïsche Zee

De schildering werd door Cuno van den Steene (1909-1971) gemaakt in 1959 op multiplex panelen (95 in totaal). Hij gebruikte hiervoor hoogstwaarschijnlijk Talens ETA-verf, een caseïne-emulsieverf die was ontwikkeld voor etalages. De panelen zijn stuk voor stuk afgelakt met een alkyd-polyurethaanlak door meubelfabriek de Nijs (Rotterdam), die ook grotendeels verantwoordelijk is voor de afwerkingslagen op andere houten wandelementen. De keus voor alkyd-polyurethaanlak is voor boten zeer gangbaar vanwege de bescherming die het biedt tegen de elementen, maar de toepassing ervan is ongebruikelijk voor paneelschilderingen. Het kunstwerk heeft een totale oppervlakte van ongeveer 83 m2. De achtergrond is zwart en verder zijn felle kleuren gebruikt. Van den Steene omschreef het uiterlijk van de schildering als ‘geslepen lakwerk’.

De schildering wordt bekeken

Restauratiegeschiedenis en conditie

Uit documentatie is bekend dat de schildering in 2007 werd gerestaureerd. De originele laklaag was destijds zeer gedegradeerd, wat zich manifesteerde in een zwaar vergeelde, gecraqueleerde en brosse laag die opstaande verf veroorzaakte. De lak bleek onmogelijk op te lossen en werd daarom afgedund met behulp van schuurmachines. De opstaande verf werd met een termoplastische consolidant platgelegd, schade werd geretoucheerd en een nieuwe vernislaag (Paraloid B72) werd, mogelijk in meerdere lagen, als spray aangebracht.

De conditie in 2020

In 2020 bleken er alweer problemen met de schildering geconstateerd, welke ook de aanleiding voor dit onderzoek waren. De vernis- en verflagen lijken alweer instabiel te zijn: er is lokaal weer sprake van opstaande verf en op sommige plaatsen is er verfverlies. Daarnaast heeft de schildering een vlekkerig uiterlijk: er zijn verschillen in matheid en glans die het beeld van de schildering ernstig verstoren. Daarnaast heeft de schildering over het algemeen een mat uiterlijk, wat niet overeenkomt met de beschrijving als ‘geslepen lakwerk’. Daarnaast is er, voornamelijk rond het podium en de balustrade van de trap, sprake van mechanische schade zoals stootschade en krassen.

Willianne van der Sar geeft uitleg over het project

Het onderzoek

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de opstaande vernis- en verflagen worden veroorzaakt door de afgedunde resten van het dikke, originele vernis, wat sterk gedegradeerd is en daardoor craqueleert en daarbij de verflagen meetrekt. Het originele vernis is daarnaast onregelmatig afgeschuurd tijdens de vorige restauratie, wat het vlekkerige uiterlijk van de schildering veroorzaakt. Vooral in de zwarte achtergrond is duidelijk een verschil zichtbaar tussen waar het vergeelde originele vernis nog aanwezig is, en daar waar het afgenomen is. Op deze plaatsen heeft het zwart een grijzig en onverzadigd uiterlijk gekregen. Na afname van de nieuwe Paraloid vernislaag bleek bovendien dat het schuren van de originele vernislaag storende krassen in het oppervlak heeft veroorzaakt die te herleiden zijn naar de grofheid van het gebruikte schuurmateriaal. Na afname van de Paraloid zijn deze krassen erg opvallend. Maar ook de applicatie van de Paraloid zelf heeft negatieve consequenties voor de perceptie van het oppervlak. Zo veroorzaakte de onregelmatig aangebrachte laag niet alleen mat-glans verschillen en zakkers, maar heeft het aanbrengen door middel van sprayen gezorgd voor een bobbelig oppervlak dat wel iets weg heeft van een ‘sinaasappelhuid’. Dit oppervlak zorgt voor het matte uiterlijk van de schildering. Samengevat zorgen zowel de originele als de nieuwe Paraloid vernislaag voor structurele en esthetische problemen.

Onderzoek en behandelvoorstel

Als mogelijke behandeling zijn er globaal drie opties onderzocht. Ten eerste is het mogelijk om beide vernissen te laten zitten. Mogelijk zijn er manieren om de geconstateerde fenomenen (deels) op te lossen door alleen een nieuwe vernislaag aan te brengen en lokaal loszittende verf te consolideren. Schades kunnen geretoucheerd worden en in dit scenario zou de Paraloid als tussenvernis fungeren. Een tweede optie is om het Paraloidvernis te verwijderen, waardoor de schuurkrassen die in de originele lak gemaakt zijn behandeld kunnen worden door ze bijvoorbeeld te polijsten. Bovendien zou de glans teruggebracht kunnen worden, mogelijk door een nieuwe vernis aan te brengen. De keerzijde is echter wel dat de gevolgen van deze optie niet in te schatten zijn: de staat van de schildering onder de Paraloidvernis is grotendeels onbekend en het is de vraag of een nieuw restauratievernis de mat-glansverschillen kan wegnemen. De derde optie is om beide vernislagen te verwijderen. Dit is tot nu toe onmogelijk gebleken aangezien de originele vernislaag onoplosbaar lijkt te zijn. Deze mogelijkheid zou echter zowel het proces van de verf die door het sterke vernis wordt losgetrokken stopzetten, alsook de vlekkerigheid van het oppervlak wegnemen. Hierna moet ook een nieuwe slotvernis aangebracht worden, waarmee de schildering weer het uiterlijk van ‘geslepen lakwerk’ zou kunnen verkrijgen. De keus voor deze behandeloptie zou een zeer ingrijpende zijn, aangezien de staat van de schildering onder de originele botenlak onbekend is.

De vernistests worden door de genodigden bestudeerd

Enkele behandelopties

Om af te kunnen wegen welke van de drie bovengenoemde optie het meest de voorkeur geniet, zijn er enkele behandeltests gedaan. In samenwerking met Marjan de Visser (schilderijenrestaurator) zijn er verschillende vernissen bovenop de Paraloid aangebracht, die elk geen bevredigend resultaat gaven omdat de sinaasappelhuid en matte gebieden zichtbaar bleven. Ook bleek het polijsten van de Paraloid geen resultaat te geven, aangezien de relatief taaie film van het vernis dit niet toeliet. De Paraloidvernis is echter eenvoudig te verwijderen met verschillende cocktails van vrije oplosmiddelen en gels. Op de delen waar de vernis is afgenomen zijn verschillende vernissen direct op de poly-urethaanlak aangebracht, met wisselend resultaat. Regalrez 1094 leverde bijvoorbeeld een glanzend en verzadigd effect op, maar bleek niet in staat om de schuurkrassen te verbloemen. Er is daarnaast geëxperimenteerd met verschillende polijstmaterialen die werden aangedragen door Herman den Otter (UvA), zoals Micro Mesh®, houtskoolpoeder en verschillende wassen, om te onderzoeken of het mogelijk was deze krassen weg te werken en wat dit voor effect heeft op de glans. Door de behaalde resultaten zou het polijsten van het oppervlak en het aanbrengen van een vernis een goede behandeloptie kunnen zijn. Het oplossen van de originele vernis is niet gelukt, waardoor de derde optie vooralsnog afvalt.

Bezoek aan de schildering in de Grand Ballroom

Na de presentaties is de groep naar de Grand Ballroom begeleid, waar tijd werd genomen om het kunstwerk en de behandeltests van dichtbij te bekijken. In kleine groepjes werden er van gedachten gewisseld. Vervolgens werd er een discussie gestart, geleid door Willianne van der Sar. Sommige aanwezigen gaven aan dat ook de optie om geen behandeling uit te voeren, zou moeten worden overwogen. Over hoe storend de vlekkerigheid voor de totale schildering is, waren de meningen verdeeld. De vlekkerigheid is, door de bolling van de schildering en de grote hoeveelheid licht die erop valt, ook afhankelijk van waar je je in de ruimte bevindt. Een bepaalde interactie met het licht zal er dus altijd zijn. Toch heeft de schildering momenteel niet het uiterlijk van geslepen lakwerk, dus komt het uiterlijk niet overeen met de originele bedoeling van de kunstenaar. Het huidige uiterlijk is vooral veroorzaakt door de restauraties. Er werd gesuggereerd om meer informatie in te winnen over hoe de schildering over het algemeen wordt ervaren, en of de vlekkerigheid van de schildering deze ervaring beïnvloedt, door bijvoorbeeld een bezoekers-enquête af te nemen. Dit kan dan worden meegenomen in de beslissing. Ook kunnen er grotere teststukken worden opgezet om het resultaat van een eventuele behandeling beter in beeld te kunnen brengen.

De vernistests worden beoordeeld en besproken

Input van de uitgenodigde restauratoren

Ook werd de vraag opgeworpen in hoeverre een restauratie duurzaam zou zijn. Als de originele vernis blijft zitten, zal het probleem van de opstaande verf weer terugkomen als het klimaat niet wordt gestabiliseerd. Het is dus heel belangrijk dat er aandacht naar preventieve conservering gaat.

Daarnaast werd de mogelijkheid geopperd om een mock-up van het originele kunstwerk te maken, om een beter beeld te krijgen van het originele uiterlijk. Dit is echter geen eenvoudige zaak, aangezien de ETA-verf niet meer in productie is. Tevens moet dan de exacte samenstelling van de lak worden bepaald. Ook beïnvloedt de applicatiemethode de glans van de vernis.

Verder werden er verschillende technische adviezen gegeven. Zo kan de mogelijkheid om meerdere vernislagen aan te brengen worden onderzocht. Mogelijk zorgt dat wel voor het opvullen van de krassen. Bij Japans lakwerk worden microcraquelures soms opgevuld met vernis, mogelijk kan dat hier ook worden toegepast. Ook werd opgemerkt dat een Regalrez 1094-vernis waarschijnlijk niet sterk genoeg is om bescherming te bieden in een zaal als deze, en dat Paraloid B72 ondanks het onverzadigende resultaat een betere protectie biedt.

De genodigden bestuderen de uitgevoerde vernisafname tests

Afsluiting

Nadat de aanwezigen een lijst met vragen en suggesties hadden ingevuld en ingeleverd, was het tijd om de middag af te sluiten met een borrel in de Captain’s Lounge van het schip. Al met al was het een vruchtbare middag die stof gaf tot nadenken, waarbij de aanwezigheid van de leden van Restauratoren Nederland zeer werd gewaardeerd. De verschillende bijdragen zijn meegenomen in het eindrapport dat inmiddels aan de opdrachtgever is overhandigd. Nogmaals veel dank aan iedereen die de moeite heeft genomen om bij deze ontmoeting aanwezig te zijn!