Door Michelle Vergeer, freelance schilderijenrestaurator, info@vergeerschilderijenrestauratie.nl

13 en 14 juni 2019, Universiteit van Kopenhagen, Zuid-Campus, Kopenhagen.

In 2017 ontving het Center for Art Technological Studies in Kopenhagen (CATS) een beurs van het Independent Research Fund Denmark. Het doel van deze beurs was het ondersteunen van interdisciplinaire netwerken en het nader tot elkaar brengen van onderzoek dat in verschillende instituten plaatsvindt. Het resultaat hiervan is het onderzoeksnetwerk Mobility Creates Masters (MoCMa) dat sindsdien heeft gezorgd voor een uitwisseling van kennis, ervaring en resultaten tussen de verschillende deelnemende instituten[1]. De focus ligt hierbij op de historische context, de materialen en de impact van gekleurde gronderingen in schilderijen in Europa in de zestiende en zeventiende eeuw.

De conferentie op 13 en 14 juni 2019 was het vierde MoCMa evenement dat plaatsvond en richtte zich op issues die gerelateerd zijn aan het gebruik van gekleurde gronderingen tussen 1550-1700. Zowel presentaties vanuit (technische) kunstgeschiedenis en conservering en restauratie kwamen hierbij langs.

Na een introductie van Jørgen Wadum (Directeur van CATS) en Camilla Jalving (Hoofd Collectie bij het Statens Museum for Kunst) begon het programma met key-note speaker Marika Spring. Zij sprak over de ontwikkeling van een database over gronderingen van zestiende-eeuwse Italiaanse schilderijen uit de collectie van de National Gallery London. Een sneak peek laat de potentie van de database al goed zien. De mogelijkheid om dwarsdoorsnedes te bekijken en te zoeken op locatie, tijdsperiode en kunstenaar zal het voor toekomstige onderzoekers veel gemakkelijker maken om resultaten in een bredere context te plaatsen.

De ochtendsessie werd vervolgd met Maite Jover de Celis. Zij praatte over de ontwikkeling van de gronderingen van Velazquez. De verschillende plekken waar hij tijdens zijn carrière heeft gewoond zijn van grote invloed geweest op de materialen die hij gebruikte en stilistische keuzes die hij maakte. Zo zien we de kleur van zijn gronderingen veranderen van bruin naar rood, naar grijs en weer terug naar bruin wanneer hij verhuisd van Sevilla naar Madrid, richting Rome en weer terug naar Madrid.

Cristina Morilla heeft vervolgens licht geschenen op de vele kopieën die er bestaan van het portret van Philip III door de schilder Pantoja. Aan de hand van gronderingen, compositie en ondertekeningen is er meer duidelijkheid over de chronologie van deze kopieën. Bovendien heeft het maken van reconstructies inzicht gegeven in hoe deze schilderijen gekopieerd werden met behulp van tracings op geolied papier. Deze werden voorzien van een coating van witte kalk om ze over te zetten op de donkere gronderingen die Pantoja gebruikte.

De ochtend werd afgesloten door Sylvia Centeno die toelichtte hoe het gebruik van as in barokgronderingen geïdentificeerd kan worden. In het onderzoek is namelijk vastgesteld dat calcium carbonaat afkomstig uit asdeeltjes, aan een zeer specifieke morfologie herkend kan worden. Doordat we deze deeltjes nu beter kunnen identificeren, kunnen we het gebruik van as als kunstenaarsmateriaal in een bredere context plaatsen.

[1] Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit Amsterdam, Rijksmuseum Amsterdam, Universiteit van Kopenhagen, Universiteit van Aarhus, Statens Museum for Kunst Kopenhagen, Universiteit van Stockholm, Nationalmuseum Stockholm, Museo Nacional del Prado Madrid, National Gallery London.

Na de lunch sprak Katarzyna Górecka over de restauratie van twee grote schilderijen van Martino Altomonte. Tijdens de restauratie is de karakteristieke dubbele grondering bestudeerd, een roodkleurige onderlaag met hierboven op een warme grijze laag. Bijzonder is dat restauratoren hebben ontdekt dat Altomonte in een hoek van het schilderij verschillende tinten grondering lijkt te hebben uitgeprobeerd, alvorens tot zijn uiteindelijke keuze te komen.

Hierna sprak Loa Ludvigsen over schilderijen van Girolama Troppa in het Statens Museum for Kunst. Acht schilderijen van zijn hand zijn vergeleken om verschillen en overeenkomsten in zijn techniek vast te stellen. Troppa lijkt een zeer consistente werkwijze te hebben gehad in zijn atelier. Zo hebben de acht onderzochte schilderijen allen een dubbele grondering: een bruine laag met hier bovenop een oranje laag.

Michela Fasce presenteerde vervolgens over de veranderingen in gronderingen gebruikt door de Genovese schilders van de 16de tot de 18de eeuw. Zij komt tot de conclusie dat de schilders zijn beïnvloed door schilders uit andere regio’s zoals Venetië, maar ook door buitenlandse Vlaamse schilders. Dit geldt zowel voor hun materiaalgebruik, als de stilistische uitwerking van de voorstellingen.

Mateusz Jasinski presenteerde vervolgens zijn onderzoek naar gekleurde gronderingen in de Caravaggistische schilderstijl. De kleur van de gronderingen in de 25 onderzochte schilderijen varieert van beige tot donkerbruin. Hij concludeert dat met name deze donkere gronderingen zorgen voor het huidige uiterlijk van de schilderijen. Wanneer bij veroudering de transparantie van de verflagen toeneemt, gaat de donkere kleur een steeds grotere rol spelen in de compositie.

De dag werd afgesloten door Mariana Calderón en haar onderzoek naar de toeschrijving van een schilderij aan Salvator Rosa. Aan de hand van analyse heeft ze vast kunnen stellen dat het schilderij gemaakt is in de Italiaanse stijl van de zeventiende eeuw, maar dat de gebruikte techniek en materialen niet overeenkomen met wat toen gangbaar was. Met name de aanwezigheid van een rode grondering met een grijze imprimatura is een teken van een latere vervaardigingsdatum, waardoor de toeschrijving aan Salvator Rosa zeer waarschijnlijk onjuist is.

Key-note speaker Filip Vermeylen opent dag 2. (foto: Marya Albrecht)

Met dag twee verschuift het onderwerp van de presentaties zich verder naar het Noorden. Allereerst gaf key-note speaker Filip Vermeylen inzicht in hoe de mobiliteit van kunstenaars heeft geleid tot een uitwisseling van kennis, materialen en handel, waardoor veranderingen en innovaties konden plaatsvinden. Ook maakte Vermeylen de zaal bewust van een theorie over ‘survival bias’: het feit dat onderzoekers zich concentreren op informatie die aan ons overgeleverd is, maar zich hierbij niet volledig bewust zijn van informatie die ooit wel bestond, maar verloren is gegaan door de tijd heen.

Joanna Russel heeft vervolgens inzicht gegeven in de manier waarop gegevens over de kleur van gronderingen verwerkt kan worden met behulp van Image Processing Software. Met deze software kan een soort ‘gemiddelde’ kleurwaarde bepaalde worden van een gronderingslaag in een dwarsdoorsnede. Hierdoor kunnen gegevens veel objectiever verwerkt worden in bijvoorbeeld de database waarover op Dag 1 gepresenteerd is door Marika Spring.

Een vergelijking tussen de schildertechniek van Jan van Goyen, Francois van Knibbergen en Jan Porcellis werd hierna gemaakt door Elsemieke van Rietschoten. Aan de hand van het traktaat van Samuel van Hoogstraeten, waarin van een onderlinge schilderswedstrijd verslag wordt gedaan, wordt hun schildertechniek vergeleken met drie schilderijen die zich in de collectie van het Rijksmuseum bevinden.

William Whitney beschreef vervolgens de perceptie van kunst aan de hand van de gronderingen. Hierbij werd specifiek ingegaan op één case study, een schilderij geschilderd door Rubens dat in 2018 ontdekt is. Aan de hand van technisch onderzoek en kunsttechnologisch bronnenonderzoek wordt beschreven hoe Rubens zijn schilderijen in twee stappen opbouwde: allereerst een monochrome laag die alle vormen, hooglichten en schaduwen definieert en vervolgens de stap waarin alle kleuren worden aangebracht.

Claire Toussat besprak vervolgens de Nederlandse kunstenaar Theodoor van Loon, die door zijn reizen naar Italië sterk beïnvloed was door de Caravaggistische stijl. Aan de hand van onderzoek naar acht van zijn schilderijen wordt de ontwikkeling van zijn techniek beschreven. Bij Van Loon werd hierdoor duidelijk dat hij langzaam overstapte op het gebruik van een enkele gronderingslaag, in plaats van een dubbele.

 

Marya Albrecht en Sabrina Meloni presenteren hun onderzoek naar Jan Steen. (foto: Lieve d'Hont)

Met de presentatie van Lidwien Speleers verplaatsen we ons naar schilderijen van de Oranjezaal in Huis ten Bosch. Om uniformiteit te garanderen werden de doeken gegrondeerd naar de verschillende schilders gezonden. Een van de schilders haakte echter af en Willeboirts Bosschaert nam de taak over. Bosschaerts maakte twee schilderijen voor het ensemble, maar gebruikte een afwijkende dubbele donkere grondering voor een van de schilderijen. Dit is van grote invloed op hoe wij het schilderij nu waarnemen. Door het transparanter worden van de olieverf is de donkere grondering een steeds grotere rol gaan spelen in de compositie en wijkt dit schilderij nu af van de rest van het ensemble.

Tatjana van Run focuste zich vervolgens op een door Nicolaes van Helt Stockade geschilderd plafond in het Trippenhuis. Tijdens bestuderen van de negen compartimenten van dit plafond, werd duidelijk dat er een verschil in schilderstijl en techniek zichtbaar was. Niet alleen variëren de figuren van schetsmatig tot precies, ook de kleur van de grondering verschilt: van een lichte okerkleur tot donkerbruin. Dit kan mogelijk verklaard worden doordat dat Stockade hulp kreeg van leerlingen die de schilderingen afmaakten nadat hij de ondertekening had aangebracht.

Hierna volgde een dubbelpresentatie van Marya Albrecht en Sabrina Meloni die zich hebben verdiept in gronderingen van Jan Steen aan de hand van 40 schilderijen van zijn hand op zowel doek als paneel. Principal Component Analysis (PCA) is gebruikt om verbanden te vinden tussen de elementaire samenstelling van gronderingen. Schilderijen konden op deze manier gegroepeerd worden en verbonden aan de verschillende steden waar Steen gewerkt heeft. Steen heeft net als zijn tijdgenoten een ontwikkeling doorgemaakt van lichtere gronderingen (Den Haag, Delft) naar sterker gekleurde gronderingen (Haarlem).

Jørgen Wadum presenteerde over Carel Fabritius en hoe de kleur van zijn gronderingen zijn schildertechniek en onze huidige perceptie van zijn schilderijen heeft beïnvloedt. Zo heeft Fabritius een ontwikkeling doorgemaakt waarbij hij op steeds lichtere gronderingen ging werken die een belangrijke rol spelen in de uiteindelijke voorstelling van het schilderij.

De laatste presentatie kwam van Claire Betelu die ons meenam naar materialen en technieken voor gronderingen in Franse schilderijen in de tweede helft van de zeventiende-eeuw. Aan de hand van traktaten, restauratierapporten en verfmonsteronderzoek is meer duidelijk geworden over de Franse technieken, de samenstelling van de gronderingen en de invloed op de huidige staat van de schilderijen.

 

Na twee dagen en twintig presentaties over gronderingen vanuit elke mogelijke invalshoek kwam deze MoCMa conferentie tot een einde. Nu is het wachten op de publicatie, maar tot deze verschijnt, kunnen we ons alvast verdiepen in de onlangs (online) verschenen proceedings van de vorige CATS conferentie: Trading Paintings and Painters’ Materials. Deze is als PDF te downloaden via: https://www.smk.dk/wp-content/uploads/2019/06/Trading-Painting-and-Painters-ONLINE-VERSION-PDF.pdf