Door Noa Kollaard, freelance schilderijenrestaurator.

Het schilderij De Bewening van Rogier van der Weyden (en atelier) uit de collectie van het Mauritshuis is de afgelopen drie jaar onderzocht en gerestaureerd. Ter gelegenheid van de voltooiing van de restauratie organiseerde het museum, samen met het RKD, het tweedaagse symposium Rogier van der Weyden & The Mauritshuis Lamentation. Het symposium vond plaats op 21 en 22 november 2019. Op het symposium werden de resultaten van de restauratie en de bevindingen van onderzoek gepresenteerd en bediscussieerd. Hier volgt een samenvatting van de gegeven presentaties.

Tijdens de eerste dag werden verschillende aspecten van de restauratie en het technisch onderzoek besproken door restauratoren Carol Pottasch, Lieve d’Hont en Abbie Vandivere. Uit oude restauratiedocumentatie konden zij opmaken dat het schilderij in het verleden meerdere restauratiebehandelingen heeft ondergaan. Verschillende keren is het vernis verwijderd of hersteld en opnieuw aangebracht. De restauratoren vonden echter ook bewijzen van oude restauratiebehandelingen op het schilderij zelf, zoals de aanwezigheid van oude olieverfretouches. Ze hebben alle niet-originele lagen individueel benaderd en selectief verwijderd. Het aanwezige vernis was vergeeld en gedegradeerd en is verwijderd met oplosmiddelen. Deze werden aangebracht op het schilderij met een wattenstaafje door Japans papier heen, waarna het opgeloste vernis kon worden geabsorbeerd met behulp van Evolon®-tissues. Nadat het vernis was verwijderd bleek er in de lucht nog een veel ouder vernis aanwezig te zijn. Pottasch legde uit dat de lucht is geschilderd met azuriet waarvan de pigmentkorrels zeer grof zijn. De grove textuur van de verflaag heeft waarschijnlijk tot gevolg gehad dat dit vernis in het verleden niet goed kon worden verwijderd en is vast blijven zitten in de verfstructuur. De restauratoren hebben na vele testen uiteindelijk een mengsel op water basis met aangepaste pH, in combinatie met Pemulen®-gel, gebruikt om het gele vernis te verwijderen. De lucht is nu letterlijk opgeklaard en het resultaat is een prachtig blauwe hemel. Een andere interessante ontdekking tijdens de restauratie was het feit dat de gouden aureolen van de heiligen niet origineel zijn. Deze bleken over zeer fijn craquelé in de verf te gaan en bovendien waren ze allemaal precies tien centimeter in diameter – een lengtemaat die in de vijftiende eeuw nog niet werd gebruikt. Omdat de aureolen wel werden gezien als een belangrijk aspect van de geschiedenis van het schilderij zijn ze niet verwijderd. In plaats daarvan zijn ze met retouches iets minder opvallend gemaakt.

Voorafgaand en tijdens de restauratie is het schilderij technisch onderzocht in samenwerking met onderzoekers Annelies van Loon (Mauritshuis/Rijksmuseum), Kirsten Derks (Universiteit van Leuven en Universiteit van Antwerpen), John Delaney en Kate Dooley (National Gallery of Art, Washington). Het onderzoek bestond uit zowel microscopisch onderzoek aan verfdwarsdoorsneden, alsook high-tech, non-invasieve analyses, zoals infrarood reflectography (IRR), optical coherence tomography (OCT), reflectance imaging spectroscopy (RIS), multi-spectral infrared reflectography (MS-IRR) en macro-X-ray fluorescence imaging (MA-XRF). Derks gaf in haar presentatie een overzicht van alle soorten IRR-opnamen die door de jaren heen zijn gemaakt van het schilderij. De meest recente opname is gemaakt met een Osiris camera, die volgens Derks als grootste voordeel heeft dat de resolutie hoger is dan de meeste andere camera’s. Hierdoor kon in de ondertekening van De Bewening drie verschillende tekenlijnen worden onderscheiden: (1) hele dunne, krullende lijnen (2) dikke, hoekige lijnen, aangebracht in een vloeibaar medium en (3) dikke lijnen die over de hoekige lijnen heen zijn gezet. Deze drie typen lijnen konden vervolgens worden gerelateerd aan drie verschillende stadia in de ondertekening, die in verfdwarsdoorsneden te onderscheiden zijn.

Ook de andere toegepaste technieken brachten nieuwe inzichten aan het licht. MA-XRF analyse werd aangevuld met RIS, waarmee niet alleen de aanwezige elementen worden gedetecteerd, maar ook de molecuulstructuur waarin deze elementen zich bevinden. Hierdoor konden de gebruikte pigment heel nauwkeurig worden geïdentificeerd. Zo werd ontdekt dat de lichtblauwe jurk van de zittende Maria is geschilderd met loodwit, azuriet en rode lak. De jurk moet dus oorspronkelijk lila zijn geweest maar door het verkleuren van de rode lak is hij nu lichtblauw.

De schildertechniek van De Bewening werd verder toegelicht en in een historische context geplaatst in twee presentaties van Esther van Duijn (Rijksmuseum) en Marjolijn Bol (Universiteit van Utrecht). Van Duijn heeft voor haar PhD-onderzoek gekeken naar hoe Rogier van der Weyden en contemporaine kunstenaars goudbrokaat schilderden. Zij beschreef in haar presentatie hoe de mantel van de donor, afgebeeld in De Bewening, op zeer knappe wijze is geschilderd. Bijvoorbeeld het gebruik van krachtige rode en groene pigmenten om verschillend gekleurde reflecties in het goud te suggereren, zorgen voor een zeer overtuigend resultaat (iets dat andere schilders niet deden). Ook andere glimmende materialen, zoals de staf van de donor en de tranen van de omstanders, zijn in De Bewening zeer knap geschilderd, zo legde Bol uit. De plaatsing van witte hooglichten, voor zowel de spiegelende reflectie alsook voor de interne reflectie van het materiaal, zorgt voor een overtuigende weergave van kleurloze, gladde en transparante stoffen.

De laatste presentaties van de dag, gegeven door Marijn Everaarts (Universiteit van Amsterdam), Noël Geirnaert (Stadsarchief Brugge) en Bernhard Ridderbos (Universiteit van Groningen) richtten zich op het vraagstuk wie de donor van het schilderij heeft kunnen zijn. De identificatie van de donor is al lang onderwerp van discussie en dat bleef het ook tijdens het symposium. Gekeken werd naar een ander schilderij van Rogier van der Weyden, te weten de Zeven Sacramenten (collectie Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen), waarop de mogelijke donor staat afgebeeld: bisschop Pierre de Ranchicourt (?-1499) of abt van de Sint-Pietersabdij in Gent Philippe Courault (ca. 1410-na 1471). Ridderbos benadrukte het belang van het bestuderen van De Bewening zelf, en dan met name de compositie en iconografische aspecten. De specifieke houding van Petrus en het gebaar met zijn hand achter de donor kan te maken hebben met de identiteit van de donor. Geirnaert stelde een nieuwe kandidaat voor (onder andere op basis van de gebouwen die zijn afgebeeld op de achtergrond): Goswin Herdickx, abt van Affligem, nabij Brussel. Interessante vragen kwamen bij de discussie naar voren, zoals: kunnen figuren op schilderijen worden geïdentificeerd op basis van hun uiterlijk? Hoe natuurgetrouw en dus betrouwbaar is dit? Leveren de gebouwen die op de achtergrond geschilderd zijn een mogelijke hint? En hoe betrouwbaar is dit dan?

Bernhard Ridderbos bespreekt De Bewening en navolgers.

De tweede dag was met name gewijd aan het vraagstuk rond de toeschrijving van het schilderij aan Rogier van der Weyden, dan wel aan zijn atelier of misschien aan een navolger. De Bewening is in 1827 aangekocht als een Hans Memling. Twintig jaar later is het schilderij voor het eerst toegeschreven aan Rogier van der Weyden en sindsdien is de toeschrijving onderwerp van discussie, zoals werd uitgelegd door Ariane van Suchtelen (Mauritshuis) in haar presentatie. Het feit dat er slechts drie schilderijen zijn die met redelijke zekerheid kunnen worden toegeschreven aan Van der Weyden maakt toeschrijvingen van andere schilderijen lastig. Maryan Ainsworth (The Metropolitan Museum of Art) gaf een presentatie over vragen als wat het fenomeen atelier inhield, hoe men te werk ging, wanneer iets met zekerheid kan worden toegeschreven aan een meester en wat een ‘meester’ eigenlijk betekent. Rogier van der Weyden had een goed lopend atelier en hij moet hebben vertrouwd op assistenten om opdrachten te voltooien. Deze assistenten konden zeer talentvol zijn en heel goed in de stijl van Van der Weyden hebben gewerkt, wat nodig was om het schilderij als een ‘Rogier van der Weyden’ te verkopen. Wat kan helpen in het onderzoek naar toeschrijving is het bestuderen van de ondertekening. Zijn er bijvoorbeeld veel wijzigingen te zien in de tekening (wat kan duiden op de meester zelf die zich ter plekke bedenkt over de compositie) of zijn er bewijzen te vinden voor het ‘gehoorzaam’ overtrekken van modeltekeningen? Verder kan een onsamenhangende of onhandige compositie duiden op het gebruik van individuele modellen die bij elkaar zijn geplaatst voor het schilderij.

Stephan Kemperdick (Gemäldegalerie Berlin) beargumenteerde in zijn presentatie dat De Bewening een dergelijke onhandige compositie heeft. Aan de andere kant, zo benadrukte hij, zijn er ook wijzigingen te zien in de ondertekening en is de hoge kwaliteit van uitvoering vergelijkbaar met andere Van der Weyden-schilderijen. Bovendien zijn de drie stadia in de ondertekening van De Bewening ook gevonden in andere Van der Weyden-schilderijen, zo werd duidelijk uit de presentatie van Chiara Rossi over haar onderzoek naar Van der Weyden’s Bewening uit het Uffizi. Dit alles doet vermoeden dat De Bewening niet volledig door Van der Weyden is geschilderd maar wel uit zijn atelier komt waar talentvolle assistenten eraan hebben gewerkt.

Stephan Kemperdick bespreekt de ondertekening van De Bewening.

Dit vermoeden werd tot slot onderstreept door restauratoren Pottasch en Vandivere. Zij hebben tijdens de restauratie verschillende ‘handen’ in het schilderij kunnen onderscheiden door heel specifiek te kijken naar hoe alle ogen, monden en verschillende stoffen zijn geschilderd. Daarnaast hebben ze bepaalde overeenkomsten gevonden in schildertechniek in andere Van der Weyden-schilderijen. Het blijft echter onmogelijk om echt met zekerheid te zeggen welke delen zijn geschilderd door Van der Weyden (als het al zeker is dat het niet door een zeer getalenteerde assistent uit zijn atelier is geschilderd) en welke delen door anderen. Met dergelijke vergelijkingen spelen er tevens teveel onzekerheden een rol, zoals de mate van ontwikkeling in Van der Weyden’s eigen stijl en bijvoorbeeld de mate van invloed van andere kunstenaars op hem. Kortom, de precieze totstandkoming van De Bewening blijft enigszins in nevelen gehuld, maar dit maakt het schilderij des te interessanter.